De rechtsvordering van de werkgever tot terugvordering van onverschuldigd betaalde socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing die onrechtmatig aan de werknemer werden betaald na het einde van de arbeidsovereenkomst, maakt geen rechtsvordering uit die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst. Op deze rechtsvordering is de verjaringstermijn van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek van toepassing en niet de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
De rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1376 BW) verplicht de werknemer die onverschuldigd de fiscale bedrijfsvoorheffing van de werkgever heeft ontvangen om dit terug te geven.
Artikel 26 van de RSZ-wet verhindert dat de werknemer op grond van de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1376 BW) veroordeeld zou worden tot terugbetaling van de werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid die hem ten onrechte door de werkgever werd uitbetaald.
ARREST
A.R. 2010/AH/314
OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.
In de zaak:
F. C.,
wonende te 3582 Koersel, Vrevijverstraat 11,
appellant,
tegen
V. S. NV,
met zetel te 3930 Hamont-Achel, Lozenweg 30,
geïntimeerde,
Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit.