De man is geboren op 24 maart 1956 en advocaat. Volgens de loonbrieven bedraagt zijn nettoloon circa 2.329,57 EUR. Volgens de vrouw heeft hij een hoger inkomen.
Het blijkt dat de man werkt in een vennootschap die hem dat bedrag uitkeert. Het blijkt uit de jaarrekeningen dat in de vennootschap aanzienlijke winsten worden gereserveerd. Het maandelijks netto-inkomen dat de man volgens zijn mogelijkheden kan verdienen moet dan ook worden bepaald op minstens 5.500 EUR. Dat de winsten door de vennootschap niet worden uitgekeerd doet daaraan geen afbreuk nu in deze eenmansvennootschap de beslissingsbevoegdheid daarover uitsluitend bij de man ligt.
Het blijkt niet dat de man uitgaven heeft die de normale huishoudelijke kosten overstijgen.
15. Voor de grondslag van het persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding wordt in principe geen rekening meer gehouden met de schuld of onschuld van de echtgenoten in de echtscheidingsprocedure. Het volstaat dat de vrouw behoeftig is opdat zij een aanspraak kan maken op een persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding ten laste van de man, die dergelijke alimentatie kan dragen.
Overeenkomstig artikel 301, § 3 BW legt de rechter immers het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.
Uit het voorgaande blijkt dat in de context van het huwelijk de vrouw in aanzienlijke mate de economische zwakste partij is die in principe aanspraak heeft op een persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding.
De vrouw moet haar behoefte aantonen.
(G.M. / F.R. - Rolnr.: 2014/AR/1288)
(Advocaten: Mr. A. Martens en Mr. G. De Bock)
Procedure
1. De door de wet voorgeschreven processtukken werden in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis d.d. 3 april 2014 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, en het verzoekschrift tot beperkt hoger beroep ingediend ter griffie van dit hof op 14 mei 2014.
• Steven Brouwers, “Levensstijl” of “levensstandaard”: het is maar een woord », R.A.B.G., 2017/4, p. 294-295
• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.
• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)
• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober 2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.
Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.
• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462
AR nr. C.12.0184.N
A. t/ D.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.
...
III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste onderdeel
...
2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.
Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.
3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
...
Rechtsleer:
• S. BROUWERS, Alimentatie, APR, Mechelen, Kluwer, 2009, nr. 964.
• J. GERLO, “Onderhoudsgelden”, Recht en praktijk, nr. 11, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1994, 232; S. BROUWERS en M. GOVAERTS, Alimentatievorderingen, Recht en praktijk, nr. 37, Mechelen, Kluwer, 2004, 342.
Rechtspraak
• Cass. 15 oktober 1987, JT 1988, 143; Cass. 21 juni 1991, JT 1992, 75, RW 1991-92, 547, noot en T.Not 1992, 256, noot A. VERBEKE; W. PINTENS, Echtscheiding door onderlinge toestemming, Antwerpen, Kluwer, 1982, 319 en de uitvoerige verwijzingen in noot 74; F. RIGAUX en M.-Th. MEULDERS-KLEIN, Les personnes, T. I, mise à jour 1978, 135, nr. 251.
• Beslagr. Luik 9 mei 1988, Rev.Liège 1988, 1149; J. GERLO, o.c., 236.mbt art. 1244 BW
• Cass. 21 juni 1991, JT 1992, 75, RW 1991-92, 547, noot en T.Not 1992, 256 noot A. VERBEKE; Cass. 14 april 1994, RW 1994-95, 434 en Arr.Cass. 1994, 369.
• Arbitragehof 2 juli 2003, nr. 96/2003, BS 5 november 2003, p. 53.871, EJ 2004, 158, noot P. SENAEVE en RTDF 2004, 99.
• GwH 17 september 2009, nr. 138/2009, BS 27 november 2009, p. 74.243, T.Fam. 2009, 179, noot P. SENAEVE en Act.dr. fam. 2009, 179, noot D. CARRÉ.
Wetgeving
• Wet van 2 juni 2010 tot wijziging van sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerech¬telijk Wetboek wat de procedure inzake echtscheiding betreft, BS 21 juni 2010.